Specialisaties
In onze praktijk bieden we verschillende specialisaties binnen de kinderfysiotherapie. Elk kind is uniek, en soms is er net wat extra aandacht of specifieke kennis nodig om de ontwikkeling goed te ondersteunen.
Of het nu gaat om baby’s met een voorkeurshouding, kinderen met schrijfproblemen, zindelijkheidsklachten of moeite met prikkelverwerking – wij hebben de ervaring en expertise in huis om gericht te helpen.
Hieronder vindt u een overzicht van onze specialisaties, met uitleg over wanneer behandeling zinvol kan zijn en wat u kunt verwachten.
Behandeling van baby's
Inloopspreekuur
Elke derde dinsdag van de maand van 13.00-14.00 uur zijn wij aanwezig op het inloopspreekuur van het consultatiebureau in Druten. Tijdens het inloopspreekuur zijn wij vrijblijvend te benaderen. Heeft u vragen/zorgen of zoekt u tips, spreek ons aan en kijk wat we voor u kunnen doen!
Babybehandeling
Bij zuigelingen zijn er signalen die kunnen wijzen op motorische problemen. bijvoorbeeld: passiviteit, lage spierspanning en weinig kracht, overstrekken, onrust, asymmetrie, moeite met houdingsveranderingen of eenzijdig bewegen. Na een motorisch onderzoek wordt er gekeken of er een indicatie voor behandeling is. Bij zuigelingen bestaat de behandeling voor een groot deel uit houdings-, hanterings- en speladviezen. Behandeling van kinderen tot 2 jaar vindt aan huis plaats, omdat het jonge kind daar voldoende motorische uitdaging en oefenmateriaal heeft. Wij kunnen ouders instrueren binnen hun eigen woonsituatie, zodat de behandeling geïntegreerd kan worden in de dagelijkse verzorging van het kind. Vaak geldt: hoe eerder het kind behandeld word door een kinderfysiotherapeut, hoe geringer de verstoring van de ontwikkeling van het kind.
Indicaties voor behandeling kunnen zijn
- asymmetrische houding van hoofd, romp of benen
- afplatting van het hoofd als gevolg van een voorkeurshouding
- overstrekken
- een gespannen en/ of te actieve baby
- een slappe en/ of te rustige baby
- motorische ontwikkelingsachterstand
- huilbaby
- trauma t.g.v. de bevalling
- aangeboren afwijkingen die de motoriek beïnvloeden
- aandoeningen aan de luchtwegen
Plagiocephalometrie
Sinds het advies om jonge baby’s (ivm de veiligheid) op de rug te laten slapen, is het aantal baby’s met een afplatting van de schedel de laatste jaren aanzienlijk toegenomen.
Omdat jonge baby’s het hoofdje nog niet in het midden kunnen houden, zal onder invloed van de zwaartekracht het hoofdje naar 1 kant vallen. Als de baby het hoofdje steeds naar dezelfde kant houdt ontstaat er een voorkeurshouding, waardoor een afplatting van de schedel kan ontstaan (plagiocephalie).
Als de voorkeurshouding blijft bestaan en adviezen niet helpen, is kinderfysiotherapeutische behandeling zinvol. Met behulp van plagiocephalometrie kan de ernst van de afplatting gemeten worden.
Wat is plagiocephalometrie?
Het is een meetmethode waarmee de mate van scheefheid van het hoofdje bepaald kan worden en of er een reden is voor helmtherapie. Ook de verandering van de vorm van de schedel in de tijd kan zo vastgelegd worden. De meting is niet pijnlijk of belastend voor de baby.
Hoe wordt de meting gedaan?
Een bandje van thermoplast wordt om het hoofdje aangebracht. Dit bandje wordt na enkele minuten hard en is een exacte kopie van de vorm van de schedel. Met behulp van deze afdruk kan berekend worden hoe groot de afplatting is. De uitkomst geeft aan of spontaan herstel te verwachten is of dat er eventueel een helm nodig is om meer herstel te geven.
Sensorische integratie
Sensorisch betekent zintuiglijk. Onze zintuigen geven informatie die wij nodig hebben om te kunnen overleven en te kunnen functioneren in het dagelijkse leven. We moeten ons veilig voelen en ons kunnen aanpassen aan de steeds wisselende omstandigheden. De zintuigen ontvangen informatie van zowel binnen als buiten ons lichaam. Als we het over zintuigen hebben denken we meestal aan de ogen, oren, reuk, smaak en de tastzin. Heel belangrijk zijn echter ook onze zgn. “verborgen” zintuigen: het evenwichtsorgaan, het gevoel uit de spieren en gewrichten en het gevoel vanuit onze inwendige organen. Bij activiteiten gebruiken we diverse zintuigen tegelijkertijd. De informatie die via de zintuigen binnenkomt komt samen in het zenuwstelsel en dit zorgt er voor dat de informatie goed wordt verwerkt. Zo weten we steeds wat er in ons lichaam en in de omgeving aan de hand is, en kunnen we daar adequaat op reageren. De zintuigen spelen ook een belangrijke rol in het regelen van de activatie en alertheid.
Bij problemen met de sensomotorische integratie is het signaal van het tast- en evenwichtsgevoel te sterk of te zwak. Hierdoor reageren we alsof we in gevaar verkeren, terwijl dat niet zo is, of we geven deze zintuigprikkels te weinig aandacht, terwijl dat wel zou moeten. We richten onze aandacht op een verkeerde manier en merken onze eigen bewegingen onvoldoende op. Hierdoor gebruiken we de informatie uit onze spieren en gewrichten te weinig en ontstaan problemen met de concentratie en het leren van dingen.
Bij sommige kinderen verloopt de verwerking van informatie die vanuit de zintuigen binnen komt niet zo vanzelfsprekend en soepel als het eigenlijk zou moeten. Zij nemen informatie rommelig waar, ervaren prikkels sterker of juist minder sterk dan hun leeftijdsgenootjes.
Welke problemen kun je hebben?
Het tastgevoel waarschuwt te snel voor gevaar, ook wel tactiele overgevoeligheid genoemd. Deze kinderen zijn gevoelig voor aanraken: hun zintuigprikkels reageren hierop heel snel. Aangeraakt worden, op schoot zitten en knuffelen vinden deze kinderen niet prettig. Daarnaast zijn ze vaak heel kieskeurig wat betreft het eten, hun kleren, die ze al gauw ervaren als ‘kriebelig’. Ze staan ook kritisch tegenover het speelgoed waarmee ze spelen. Spelen met water, zand, klei en verf is meestal niet favoriet. Ze vinden het al gauw vies. Het tastgevoel waarschuwt te weinig en wordt niet opgemerkt. Dit wordt ook wel tactiele ondergevoeligheid genoemd. Hierbij merkt het kind nauwelijks dat het wordt aangeraakt, of dat het zelf iets aanraakt. De zintuigprikkels geven te weinig informatie door. Hierdoor ‘bestuurt’ zo’n kind zijn eigen lichaam minder goed, waardoor het onhandig is en zich bijvoorbeeld gauw stoot. Zulke kinderen spelen juist wel graag met ‘vieze’ materialen zoals zand, klei en verf.
Het evenwichtsgevoel waarschuwt te snel voor gevaar. Dit wordt ook wel vestibulaire overgevoeligheid genoemd. Een dergelijk kind is heel gevoelig voor bewogen worden. Zijn zintuigprikkels reageren bij de geringste beweging of verandering van houding. Bewogen worden, stoeien en andere wilde spelletjes vindt hij niet prettig. Hierdoor komen deze kinderen wat angstig over en zijn zij meestal minder bewegelijk dan anderen.
Het evenwichtsgevoel waarschuwt te weinig en wordt niet opgemerkt. Dit wordt ook wel vestibulaire ondergevoeligheid genoemd. Zo’n kind merkt te weinig wanneer het wordt bewogen. Zijn zintuigprikkels geven te weinig informatie door. Bewogen worden, schommelen, stoeien en andere wilde spelletjes zijn favoriet. Zulke kinderen zijn vaak echte waaghalzen en ze zijn voortdurend in beweging.
Zindelijk worden en sensomotorische integratie
De meeste kinderen worden ergens tussen twee en drie jaar zindelijk. Dat houdt in, dat er ook kinderen zijn die later zindelijk worden.
Om zindelijk te worden moet een kind voelen dat zijn blaas of darmen vol zijn. Hij moet het dan nog even kunnen ophouden om naar het toilet te gaan, zijn broek naar beneden te doen en op het toilet of op een potje te gaan zitten. Daarna moet er gerichte druk op de blaas of de darmen worden uitgeoefend terwijl de sluitspieren zich juist moeten ontspannen om tot het gewenste resultaat te komen. Dit hele proces van het voelen van de aandrang tot aan het plassen of poepen in het toilet of op het potje heeft te maken met sensomotorische integratie: iets waarnemen en daarop reageren met een motorische handeling die het gewenste resultaat oplevert.
Het is dan ook niet verbazend dat zindelijk worden en problemen met de sensomotorische integratie niet zo goed samen gaan. Hoewel er ook andere oorzaken aan zindelijkheidsproblemen ten grondslag kunnen liggen, is het altijd zinvol om te kijken in hoeverre sensomotorische integratie problemen het niet of moeilijk zindelijk worden, beïnvloedt.
Sensorische informatieverwerking bij kinderen met ASS
Kinderen met een stoornis in het autisme spectrum maken een andere ontwikkeling door. Als gevolg van hun autisme reageren zij vaak anders op prikkels uit hun omgeving, waar ze veel last van kunnen hebben. Vaak zie je bijvoorbeeld een overgevoeligheid voor geluid of aanraking, waardoor veel alledaagse situaties niet vanzelf goed verlopen. Dit heeft invloed op de totale ontwikkeling van een kind.
Samen met ouders vullen we een Sensory Profile in, een uitgebreide vragenlijst die de prikkelverwerking van het kind in kaart brengt, zodat we weten waar de kwetsbaarheden maar ook de sterke kanten liggen. Hieruit komt naar voren wat een kind nodig heeft om zich prettig te voelen en zo beter te leren omgaan met bepaalde prikkels. Dit vertalen we naar de dagelijkse situaties, zodat er een “sensorisch dieet”ontstaat.
Op de Kom hebben we veel kennis en ervaring met autisme. Alle therapeuten (fysio/ergo/logo) als ook de orthopedagoog en leerkrachten hebben hierin scholing gevolgd en we kunnen gebruik maken van elkaars specialisme. Zo werkt de fysiotherapeut ook met picto’s en gebaren om de spraak te ondersteunen en past de logopedist en de leerkracht ook het sensorisch dieet toe. Door te werken aan gezamenlijke doelen brengen we de ontwikkeling weer op gang.
Schrijftherapie
In groep 3 leert uw kind in korte tijd schrijven, een moeilijke vaardigheid. Meestal eerst in losse letters en dan in verbonden schrift. Het kind moet veel dingen tegelijk leren doen; een goede zithouding, de pen goed vasthouden, letten op de grootte van de letters, afstand tussen de woorden en natuurlijk een goede spelling.
Het schrijven moet één vloeiende beweging worden, anders zie veel onregelmatige en hoekige vormen. De vorm van alle 26 letters is anders, maar ze lijken voor een kind veel op elkaar. Verwarring ontstaat dus snel. Uw kind moet veel nieuwe woorden onthouden en kunnen gebruiken, want taal is enorm belangrijk. Schrijven is dus behoorlijk complex en het is logisch dat er wel eens wat mis gaat in de uitvoering van de schrijfbeweging. Vaak wordt dan de kinderfysiotherapeut ingeschakeld.
Observatie en onderzoek
De kinderfysiotherapeut onderzoekt eerst waar de oorzaak van het schrijfprobleem ligt. Het kan zijn dat de herkenning van vormen moeilijker is of juist het coördineren van de fijne bewegingen. Zeker bij kinderen die weinig plezier hebben in kleuren, knutselen en spelen met klein speelgoed (zoals kralen), kan de fijne motoriek achterblijven. Uw kind gaat bij ons een stukje tekst overschrijven en de fijne motoriek wordt getest. Daarnaast wordt gevraagd om schoolschriftjes mee te nemen.
Mogelijke uitingen van schrijfproblematiek
- Het kind schrijft slordig (niet leesbaar, te weinig ruimte tussen woorden, te groot, te klein etc)
- Het kind schrijft krampachtig en gespannen
- Het tempo van schrijven is erg laag
- Het kind houdt de pen op een vreemde manier vast
Behandeling
Bij de behandeling van schrijfproblemen proberen we zoveel mogelijk in te spelen op de belevingswereld van het kind. In de praktijk zijn verschillende grippers, pennen en potloden aanwezig die het kind kan uitproberen. De volgende aspecten komen o.a. aan de orde:
- Goede zithouding en goed meubilair.
- Ontspannen positie van de schrijfarm op tafel.
- Voldoende afwisseling tussen spanning en ontspanning van de pols en van de vingers.
- Pengreep en keuze van de juiste pen.
- De schrijfoefeningen worden ondersteund door oefeningen voor de oog- handcoördinatie en fijne motoriek.
- De kinderfysiotherapeut volgt, zo mogelijk, de schrijfmethode van school.
- Door het stellen van duidelijke haalbare doelen en stappen proberen we het leesbaar schrijven weer een positieve uitdaging te laten zijn voor het kind. Dit gebeurt uiteraard in overleg met de leerkracht en ouders.
Kinderbekkenfysiotherapie
Over het algemeen verloopt het zindelijk worden van een kind vrij vanzelfsprekend. Wanneer dit niet het geval is, is het verstandig om hiervoor hulp in te schakelen. Er kunnen meerdere oorzaken zijn waardoor je kind niet (volledig) zindelijk is. De factoren die van belang zijn komen naar voren in het intakegesprek, de vragenlijsten en het onderzoek wat uitgevoerd wordt nadat je je kind hebt aangemeld. Als aanvulling op het onderzoek maken wij gebruik van echografie. Op deze manier kunnen we de blaasvulling en rectumvulling in beeld brengen en adequater behandelen. Tijdens de echo kan het kind meekijken en krijgt het feedback van het gebruik van de bekkenbodemspieren.
Net als volwassenen kunnen ook kinderen last hebben van een niet goed werkende bekkenbodem. Bekkenbodemspieren zijn bewust en actief te gebruiken. Veel kinderen zijn zich hiervan niet bewust en voelen dit niet. Dit kan allerlei klachten veroorzaken die een opgroeiend kind in de weg kunnen zitten. Onder “bekkenbodem” worden de spiergroepen verstaan die de buikholte van de buitenwereld scheiden, met daarin 2 openingen voor het kwijtraken van plas en poep (en voor de meisjes uiteraard ook nog de vagina). Deze spiergroepen vormen een sluitspier voor de plasbuis en de anus en spelen dus een rol bij zowel het ophouden als het uitscheiden van plas en poep. Dit wordt zodanig aan je kind uitgelegd, dat het begrijpt dat het aanleren van plassen en poepen een vaardigheid is net zoals bijvoorbeeld fietsen of zwemmen.
Ik ben specialistisch opgeleid om je kind op een speelse wijze te leren voelen waar de bekkenbodemspieren zitten en hoe hij of zij daar controle over kan krijgen. Ook wordt geleerd hoe en wanneer je kind moet plassen en poepen. Zo krijgt je kind inzicht in het leren voelen en leert hij/ zij adequaat te reageren op signalen van aandrang.
Wat zijn problemen met poepen en plassen?
De kinderbekkenfysiotherapeut helpt kinderen met:
- heel vaak plassen
- pijn bij plassen (blaasontstekingen)
- plasongelukjes
- poepongelukjes
- niet of moeilijk kunnen poepen
- plasongelukjes in bed
Zindelijk worden en sensomotorische integratie
De meeste kinderen worden ergens tussen twee en drie jaar zindelijk. Dat houdt in, dat er ook kinderen zijn die later zindelijk worden. Om zindelijk te worden moet een kind voelen dat zijn blaas of darmen vol zijn. Hij moet het dan nog even kunnen ophouden om naar het toilet te gaan, zijn broek naar beneden te doen en op het toilet of op een potje te gaan zitten. Daarna moet er gerichte druk op de blaas of de darmen worden uitgeoefend terwijl de sluitspieren zich juist moeten ontspannen om tot het gewenste resultaat te komen. Dit hele proces van het voelen van de aandrang tot aan het plassen of poepen in het toilet of op het potje heeft te maken met sensomotorische integratie: iets waarnemen en daarop reageren met een motorische handeling die het gewenste resultaat oplevert. Het is dan ook niet verbazend dat zindelijk worden en problemen met de sensomotorische integratie niet zo goed samen gaan. Hoewel er ook andere oorzaken aan zindelijkheidsproblemen ten grondslag kunnen liggen, is het altijd zinvol om te kijken in hoeverre sensomotorische integratie problemen het niet of moeilijk zindelijk worden, beïnvloedt.
Kracht & conditie
Waarom kracht en conditietraining bij kinderen? Zowel kinderen met als zonder pathologie kunnen problemen ondervinden met hun fitheid. Denk hierbij aan het kind dat (te) snel moe is tijdens het buitenspelen, of het te dikke kind wat niet goed mee kan komen met de gymles. Maar ook (chronisch) zieke kinderen of kinderen die geopereerd zijn of langdurige pijnklachten hebben (gehad) kunnen problemen ondervinden in hun fitheid en hierdoor niet, of onvoldoende aan ADL (algemeen dagelijks leven) en sportactiviteiten meedoen. Daarnaast is een goede lichamelijke fitheid belangrijk voor de algemene (motorische) ontwikkeling van het kind.
Wanneer kinderen groeien, nemen lichaamsgewicht en lengte toe, maar niet altijd even snel of evenredig. Het skelet groeit en de spieren moeten daarna meegroeien en oprekken. Zeker wanneer er sprake is van een groeispurt is deze balans tussen skelet en spierlengte sneller verstoord. Hierdoor kunnen, zeker bij actieve kinderen, blessures ontstaan. De groei en ontwikkeling van kinderen is specifiek.
Standaarden voor volwassenen kunnen daarom niet gebruikt worden bij kinderen en jongeren. Kracht en conditietraining bij kinderen vraagt daarom niet alleen om specifieke anatomische, fysiologische en pathologische kennis, maar ook om kennis van de inspanningsfysiologie en voor kinderen geschikte meetinstrumenten en trainingsschema’s. In onze praktijk zijn wij op de hoogte van deze kennis en de meest recente inzichten waardoor wij in staat zijn om zowel bij kinderen met als zonder pathologie de algemene fitheid en spierkracht op verantwoorde wijze te trainen en te verbeteren zodat zij weer naar tevredenheid kunnen deelnemen aan sport- en spelactiviteiten.
Medical Taping
Tape wordt gezien als een toegevoegde interventie (naast bestaande therapieën) ter optimalisering van een functie.
Wij gebruiken tape bij kinderen ter:
- stimulering van de spierkracht bijv. na gipsimmobilisatie
- pijndemping bijv. bij peesklachten knie of enkel
- stimulering van de circulatie bijv. na zwikken van de enkel
- ondersteuning van een gewricht bijv. bij hypermobiliteit van de knie
Wat u moet weten over tape:
- Tape mag nat worden
- Er kan lichte jeuk ontstaan maar let op allergische reactie dan tape direct verwijderen
- Losse eindjes afknippen of vastplakken
- Tape verwijderen met babyolie
